Man vrijgesproken van verkrachting en vrijheidsberoving in Maastricht
De Rechtbank Limburg heeft een 42-jarige man vrijgesproken van verkrachting en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Volgens de rechtbank kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de feiten heeft gepleegd, omdat de verklaringen van de aangeefster op belangrijke punten tegenstrijdig zijn.
De man werd ervan beschuldigd dat hij op 16 oktober 2024 in Maastricht een vrouw tegen haar wil seksueel zou hebben misbruikt en haar in een woning zou hebben vastgehouden. De officier van justitie vond dat er voldoende bewijs was voor een veroordeling. Daarbij werd onder meer gewezen op letsel bij de aangeefster, berichtenverkeer tussen haar en de verdachte en voorwerpen die in de woning werden aangetroffen.
De rechtbank oordeelt echter dat de verklaringen van de aangeefster bij de politie en later bij de rechter-commissaris op meerdere punten wezenlijk van elkaar verschillen. Zo wijzigde zij haar verklaring over de aard van haar werkzaamheden, over het gebruik van geweld, over het vastbinden van haar enkels en over de aanwezigheid van een vuurwapen. Ook werden bepaalde verwondingen die zij later beschreef niet teruggevonden in de medische letselrapportage die kort na het incident werd opgesteld.
Daarnaast speelde mee dat kort na het vermeende incident contact is geweest tussen de politie en de aangeefster, waarbij volgens het dossier werd genoteerd dat “alles in orde” was. Volgens de rechtbank versterken deze omstandigheden de twijfel over de betrouwbaarheid van haar verklaringen.
In zedenzaken, waarin vaak alleen verdachte en aangeefster aanwezig zijn geweest, is het wettelijk niet toegestaan om iemand uitsluitend op basis van één verklaring te veroordelen. Er moet voldoende steunbewijs zijn. De rechtbank concludeert dat dit in deze zaak ontbreekt en spreekt de verdachte daarom vrij van beide ten laste gelegde feiten.




